De 19de eeuw stond sterk in het teken van industrialisatie en schaalvergroting. Ambachtelijke vervaardiging van uurwerken raakte definitief op de achtergrond. De regionale productie van huisuurwerken als de populaire staartklok werd verdrongen door buitenlandse concurrentie met name uit het Zwarte Woud (D.). Onder invloed van de Romantiek ontstond er wel een hernieuwde belangstelling voor kunsthistorische stijlen en historische uurwerken zoals het Barentsz-uurwerk (zie De Middeleeuwen). Traditionele uurwerken als de Friese en de Zaanse klok werden op beperkte schaal nagebouwd. Dit leverde de aanzet tot een industriële productie van stijlklokken, gebruikmakend van geassembleerde vaak uit het buitenland toegeleverde onderdelen. De meeste uurwerken waren evenwel vormgegeven als overdadige imitatie in neo-stijlen. De enige vooruitgang op het gebied van tijdmeetkunde werd geboekt met de vervaardiging van regulateurs en chronometers. Deze deden onder meer dienst in de wetenschap en de scheepvaart. De belangrijkste vernieuwing werd gevormd door het elektrische uurwerk.

Politiek

Onder koning Willem III vond de eerste grootschalige industrialisatie plaats. Na de verdrijving van Napoleon begon met Willem I in 1813 het Koninkrijk der Nederlanden. Onder Willem III vond de eerste grootschalige industrialisatie plaats met de bouw van stoomfabrieken en spoorwegen. Ook ontstaan er grote nutsgebouwen, zoals moderne ziekenhuizen, postkantoren, bruggen, waterwerken, kazernes en verdedigingswerken. Nederland werd een land van ondernemers en vakbonden. De parlementaire democratie kreeg in deze tijd vooral gestalte onder politici als de liberaal J.R. Thorbecke (1798-1872) en de socialist F. Domela Nieuwenhuis (1846-1919). In 1848 werd de nieuwe grondwet van kracht. Het algemeen kiesrecht zou nog tot 1917 op zich laten wachten.

Architectuur

Het Paleis van Volksvlijt werd gebouwd met ‘pre-fab’ onderdelen. In de loop van de 19de eeuw werd er veelvuldig teruggegrepen op allerlei historische bouwstijlen. Tussen ca. 1800 en 1840 was dat vooral het neo-classicisme (zoals het Franse Empire of het Duitse Biedermeier) , rond 1860 de neo-rococo en aan het eind van de 19de eeuw neo-renaissance en neo-gotiek. Al deze bouwstijlen vindt men terug in uitbundig gedecoreerde klokkenkasten. De belangrijkste laat-19de-eeuwse Nederlandse architect was P.J.H. Cuypers, die vooral bekend werd om het in neo-renaissance-stijl opgetrokken Rijksmuseum en het Amsterdamse Centraal Station (1889) en zijn vele neo-gotische Rooms- Katholieke kerken. Een alternatieve ontwikkeling legde het accent juist bij de constructieve elementen en de industriële serieproductie daarvan. Hiermee verband houden ook de internationale tentoonstellingen van eigentijdse producten. Het Paleis van Volksvlijt te Amsterdam door C. Outshoorn (1864) vormde hiervan een goed voorbeeld.

Cultuur

Tijd is geld: De stoomtrein deed de vraag naar standaardtijd toenemen. In de 19de eeuw zette de industrialisatie door middel van stoomkracht in. De introductie van de stoomtrein deed de vraag naar gestandaardiseerde tijd toenemen. De eerste Nederlandse stoomtrein reed in 1839 tussen Amsterdam en Haarlem. Na de Internationale Meridiaan Conferentie in Washington werd de aarde in 1884 verdeeld in 24 tijdzones met de Greenwich meridiaan als nulmeridiaan. In Nederland gebruikte men echter nog veelal de plaatselijke tijd; zo werd in Utrecht de meridiaan sterrenwacht Sonnenborgh gebruikt. De gestandaardiseerde ‘Amsterdamse Tijd’ werd pas in 1909 officieel ingevoerd. De openbare tijdsaanduiding werd gerealiseerd door moeder- en elektrische dochterklokken. Arbeidstijd werd strakker gereglementeerd d.m.v. prikklokken. Anderzijds werd gestreden voor meer vrije tijd in de vorm van een 8-urige werkdag, een 40-urige werkweek en vakantiedagen.

Kunst

Een geïdealiseerde weergave van de vergankelijkheid. De beeldende kunst ontwikkelde zich in de 19de eeuw van neo-classicisme via romantiek tot impressionisme. Streefde men aanvankelijk naar een gestileerde ideale schoonheid; via een emotionele natuurbeleving herontdekte men het landschap en de toevallig ontstane bekoring van het wisselende daglicht. Van een tijdloze volmaaktheid wendde men zich in toenemende mate tot de volmaakte momentopname. In Nederland kwam dit onder meer tot uiting bij de schilders van de Haagse School. Deze ontwikkeling houdt ook verband met de opkomende fotografie. Het schilderij ‘De Tijd’ (1810) door Pieter Christoffel Wonder (1780-1852) vormt een neo-classicistische weergave van de vergankelijkheid. (Bron: Rijksmuseum Amsterdam)